Selecteer een pagina

In zijn jeugd was Torgny Lindgren (1938) een zwak kind dat aan tuberculose leed. Kortademig en hoestend lag hij soms weken aaneen in een bed in de achterkamer van zijn ouderlijk huis. In een toestand van halfslaap luisterde hij naar de stemmen van gezinsleden en bezoekende buurtgenoten. Ze kwamen aan zijn bed zitten; ze vertelden hem verhalen, streeklegenden, de laatste nieuwtjes en roddels. Zijn moeder las hem vaak voor uit de Bijbel. Afgaande op wat hij erover in een interview vertelde, moet het een wonderlijke tijd zijn geweest. Luisterend naar vertellingen leek hij soms los te komen van zijn benauwd lichaam en zweefde hij vrij door de kamer. Al die verhalende stemmen vloeiden op den duur samen tot één stem. Weliswaar van wisselende sterkte, hoogte en coloriet, maar ontegenzeggelijk de stem van zijn geboortestreek.
Wie aan een boek van Torgny Lindgren begint, krijgt meestal een gedreven verteller tegenover zich. Bij vlagen praat de man meer tegen zichzelf dan tegen de lezer. Een man op doorreis. Soms verwaardigt hij zich om je indringend aan te kijken als hij, schijnbaar achteloos, met diepzinnigheden strooit of hilarische conclusies trekt. Je hebt geen andere keus dan naar hem te luisteren want zijn zinnen zijn in al hun eenvoud prachtig, poëtisch en de cadans ervan is hypnotiserend.

De verteller uit Norrlandse aquavit verhaalt van Olof Helmersson, een voormalig opwekkingspredikant, die na vijftig jaar terugkeert naar de streek rond Västerbotten. Destijds wist hij met bevlogen preken hele dorpen te bekeren. Tussen 1947 en 1955 zou hij in totaal vierhonderdzestien zielen hebben bekeerd. Sommigen daarvan zelfs meerdere keren. Nu is hij oud. Hij is tot het inzicht gekomen dat het geloof in God en in een eeuwig leven dwaasheid is. ‘Alleen de dood is eeuwig.’ Hij daalt af uit zijn flatwoning met zeezicht en maakt een lange reis naar zijn vroegere zeven gemeenten in Noord-Zweden om zijn dwalingen van weleer recht te zetten. Maar daar blijkt vrijwel niemand nog belangstelling voor God en godsdienst te hebben. De destijds bloeiende gemeente Västerbotten telt nog maar twee zielen. Het kerkgebouw is een ruïne. Veel vroegere bekeerlingen zijn inmiddels overleden.

De rondgang die Olof Helmersson langs de zeven gemeenten van Västerbotten maakt, als een apostel langs de zeven gemeenten van Klein-Azië, levert interessante gesprekken op. Prachtig is het gesprek dat de afvallige opwekkingspredikant voert met de kunstenaar Torvalt, de enige die hij nooit heeft kunnen bekeren. Over een verlossende kracht in de Kunst. ‘Je wordt op een nieuwe manier vroom wanneer je je leven aan de kunst wijdt … Hij durfde zelfs te beweren dat het goddelijke en heilige volkomen in het artistieke leven doordrong en dat geheel en al vulde. Wanneer hij een symfonie op de radio hoorde, van die Mahler bijvoorbeeld, was dat onmiskenbaar voor hem. Het ging erom de hoogheid en grootsheid van een aan het licht gebrachte vorm of contour te vinden. Dan had hij het nog niet eens over twee vormen die verenigd werden. Of over een schaduw die zo diep en zwart was dat men de eeuwigheid zag. In de Kunst bestond geen zonde, enkel heiliging en verheffing van de ziel.’

Torvalt vraagt daarop aan Olaf Helmersson of hij God wil zien. Hij neemt de gewezen predikant mee naar een afgelegen plek in het woud. Daar staat een acht meter hoge, van geveld hout gemaakte God. ‘”Je hebt wel een lange, zware weg af te leggen om bij Hem te komen’, zei Olof Helmersson. ‘Dat is ook de bedoeling’, zei Torvald. ‘De weg is niet zomaar voor iedereen. God hoeft niet in de krant te komen. Zonder heiliging zal niemand de Here zien.’”

Ontroerend is het weerzien met Gerda, een van de twee nog overgebleven lidmaten van de kerk van Västerbotten. Gerda is al jaren stervende. Zij heeft het sterven uitgesteld omdat zij er zeker van was dat haar vroegere herder en leraar ooit zou terugkeren. Als Olof Helmersson aan haar bed is gaan zitten, kan hij het niet over zijn hart verkrijgen haar de zekerheid van het geloof te ontnemen. Op al haar geloofsvragen geeft hij geen antwoord. In de stilte van zijn nihilistisch zwijgen, hoort zij echter de troostrijke antwoorden die de predikant van vijftig jaar geleden zou hebben gegeven. Bij een laatste avondmaalsviering geeft hij haar, omdat er geen wijn voorhanden is, Norrlandse aquavit te drinken. Ze leegt de beker tot de laatste druppel. De volgende dag voelt ze zich verkwikt. Naar eigen zeggen ‘net een klein kind’ … ‘alsof ik opnieuw geboren ben’. Terwijl een ander ongetwijfeld een fikse kater aan de sterke drank zou hebben overhouden.

Olof Helmersson beschrijft zijn eigen ‘kater’ als volgt: ‘Wanneer de roes voorbij was (…) dan dienden zich een helderheid van geest en een scherpte van denken aan die men zich tevoren niet had kunnen voorstellen. Men werd overvallen door tot dusver onbekende inzichten, men doorzag de leugens waaraan men zich in zijn leven houvast had gehad, men kreeg moed om over zichzelf te oordelen. In de katterigheid en de haarpijn achteraf kwam de mens zijn ware ik tegen. Dan was het tijd voor afvalligheid, de gelovige werd opnieuw geboren en werd afvallig, men trad hulpeloos maar gelouterd de naakte, ontmantelde werkelijkheid binnen.’

In veel van Lindgrens boeken laat de invloed van de Bijbel zich gelden en galmt de taalkundige pracht ervan door. In De weg van de slang richt de verteller zich tot God om zich te beklagen over het sociale onrecht in zijn verwoest dorp. In Bathseba wordt het verhaal van koning David en de beeldschone vrouw van Uria magistraal herverteld. In de verhalenbundels De schoonheid van Merab en In het water van Bonte Bladen komen eveneens Bijbelfiguren en verhalen over rondreizende predikanten voor. En zijn misschien wel mooiste roman Het licht laat zich bij vlagen lezen als een oudtestamentisch Bijbelboek.

Norrlandse aquavit is een schitterende, rijke, zo nu en dan hilarische roman. Tegen het eind ervan ontmoet Olof Helmersson een baardige schrijver in wie we Torgny Lindgren herkennen. Hij zegt op weg te zijn naar een drankwinkel in de stad. Om benedictine (!) in te slaan. ‘Zonder benedictine kan ik niet eens mijn eigen handschrift lezen.’ De oude schrijver vertelt te zijn teruggekeerd om ‘een laatste roman over deze streek te schrijven’.
Dat is schrikken.

Torgny Lindgren: Norrlandse aquavit
Uit het Zweeds vertaald door Bertie van der Meij
Uitgeverij De Geus
ISBN 9789044513127 NUR 302
223 blz.
Prijs 18,90