Een bezoek aan haar kapperszaak duurde nooit langer dan een kwartier en verliep steevast hetzelfde. We knikten elkaar respectvol toe, oprecht ingenomen met het weerzien, daarop ging ik in de stoel zitten. Ze sloeg me een kapmantel om, voelde een paar keer aan mijn haar om de dikte ervan te bepalen en ging dan aan de slag. Zwijgend. De eerste keren zei ik vooraf nog hoe ik geknipt wilde worden. Op den duur liet ik dat achterwege. Ik zou haar, een zwijgzame Iraanse, hebben beledigd.

We hebben elkaar nooit lastiggevallen met praatjes over vakanties of over het weer. Kortwieken kan een sacrale bezigheid zijn, mits het in stilte geschiedt. Tegelijk met mijn haarplukken vielen overtollige beslommeringen van de voorbije zes, zeven weken op de kapmantel. Ik keek er voldaan naar. De geest gesnoeid, het hoofd lichter. Onder het knippen meed ze zorgvuldig lichamelijk contact, merkte ik. Ook daaruit sprak respect, zij het dat ze voor mij heus niet zo ver hoefde te gaan. We droomden weg, ieder voor zich. Een gedeeld plezier.

De laatste keer dat ik bij haar een afspraak had, knikte ze me zoals altijd respectvol toe. Alleen was haar blik ditmaal dof. Verdriet zag ik. Een tijdlang zat ik in tweestrijd in de stoel. 
‘Gaat het goed?’ vroeg ik tenslotte.
Ze hield haar handen stil. Niet eerder had ik haar een persoonlijke vraag gesteld. Ik zag haar aarzelen.
‘Mijn vader’, bekende ze toen.
‘Is het ernstig?’
‘Hij is dood.’
‘Wat erg.’
‘Ja’
‘Ga je erheen?’
‘Overmorgen.’
Ik knikte naar haar en dacht prompt aan de dood van mijn eigen vader. Een paar intense seconden vol medelijden en zelfmedelijden hield ik haar blik vast.
‘Sterkte’, zei ik terwijl ik mijn hoofd boog.

Ze ging verder met knippen. Ik dreef af op sombere gedachten, terwijl zij ongetwijfeld dacht aan wat haar over twee dagen te wachten stond. Uit de luidsprekers kwam weemoedig gezang van een Iraanse zanger. Extra behulpzaam boog en draaide ik mijn nek in de gewenste standen.
Toen ze klaar was pakte ze de handspiegel zodat ik het resultaat kon bekijken. Opnieuw keek ik haar aan, iets langer dan gewoonlijk. En wederom verstonden we elkaar woordeloos.
‘Heel mooi. Dankjewel.’

Ze legde de handspiegel terug. Ik boog mijn hoofd, in afwachting van het losmaken van de kapmantel. Ik voelde haar hand zich tegen mijn nek vleien. Een vinger streek liefkozend langs mijn hals.
Daarop kregen haar handen haast. Ze trok met een brede zwaai de kapmantel van me af. Bij het afrekenen keek ze me niet aan, maar het huilen stond haar nader dan het lachen toen ze me het wisselgeld gaf. Ik knikte haar toe. ‘Heel veel sterkte’, zei ik zacht en draaide me om.

Anderhalve maand later verhuisde ik. Ik neem het mezelf kwalijk dat ik haar niet trouw ben gebleven. Haar kapsalon is er nog steeds. Al een jaar of vier word ik nu voor mijn ontrouw gestraft met kappers en kapsters die hun mond niet kunnen houden.