Pleegzuster Bloedwijn

Ziek en zielig lig ik in bed. Ik heb heimwee naar de troost van griesmeelpudding met veel suiker die ik als kind kreeg als ik ziek was. Ik denk aan de fles Pleegzuster Bloedwijn die bij het zondagse middagmaal op tafel stond. Wijn waaraan een geneeskrachtige werking werd toegeschreven. Op het etiket een vroom ogende verpleegster in een paaps habijt.

Ziek en zielig wil ik Pleegzuster Bloedwijn bij me hebben. Ze moet me griesmeel brengen en op de rand van mijn bed gaan zitten. En als ik klaar ben, het bord aanpakken en wegzetten, een glas wijn inschenken, om vervolgens met kuis neergeslagen ogen haar habijt uit te trekken en naast me onder het dekbed te schuiven.

‘Nooit geweten dat je er niets onder draagt’, fluister ik. Ik neem een slok wijn en laat haar naar mijn hoofd stijgen.

Mijn Surinaamse vriendin

Steevast kijk ik naar haar uit als ik langs Schiphol naar Amsterdam rijd. Ze heeft een vaste plek, al is ze er niet altijd. Soms zelfs voor langere tijd niet. Dan houd ik mezelf maar voor dat ze het goed maakt en dat ze weer doet waar ze gelukkig van wordt: onderweg zijn door de lucht. Lange reizen maken.

De eerste keer dat ze me opviel goot het. Ze stond die avond langs de snelweg, onbeschut en afgezonderd, beschenen door hagelwit licht waar de regen in sluiers doorheen joeg. Ik had met haar te doen. Het waaide hard, hoewel de wind haar onmogelijk kon deren. De regen wel. Die spatte roffelend op haar rug, romp en vleugels. Niemand die naar haar omkeek. Ze had natuurlijk geen cent te makken, het vergeten eind van de luchthaven was goed genoeg voor haar, vonden de luchthavenautoriteiten. Zelf was ze te trots om een betere plek op te eisen.
Ik vond haar mooi. Mooi wit in de Hollandse grauwheid. Op haar flanken het bruin en oranje die aan de ondergaande tropenzon deden denken.
Toen ik haar de volgende ochtend terugzag was het droog en de zon brak zo nu en dan door. Ze had inmiddels gezelschap gekregen van een KLM-toestel. Dat deed me goed.

Sindsdien zoek ik haar iedere keer dat ik Schipholtunnel nader. Eens vlieg ik met haar mee naar Suriname.

(c) Foto: Axana (https://zoom.nl/foto/overig/surinam-airways.1159313.html)

De onbegrepen duisternis (Preek van de leek)

Uitgesproken in de Oude Jeroenskerk van Noordwijk, 16 november 2014

Daarstraks zijn de eerste vijf verzen van het Johannesevangelie voorgelezen. Vijf bekende maar nogal cryptische verzen. Er wordt hierin meerdere malen gesproken over ‘het Woord’, een vertaling van het Griekse woord λόγος (logos) dat meerdere betekenissen heeft die allemaal slaan op het denken, het weten, het bewustzijn. Dat λόγος blijft dus gehuld in onwetendheid. “Het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft Hetzelve niet begrepen”, zegt het vijfde vers.

Het Johannesevangelie dateert van eind eerste eeuw, begin tweede eeuw. De invloed van de Griekse filosofie is duidelijk merkbaar. Als je leest over de duisternis die het licht niet heeft begrepen, denk je algauw aan wat Plato zo’n vier eeuwen eerder beweerde over hoe wij ons verhouden tot de werkelijkheid. Plato stelt het als volgt voor. We zitten met z’n allen in een grot, vastgeketend aan banken, en wel zo dat we alleen maar recht vooruit naar een wand kunnen kijken. Achter ons brandt een vuur, dat verborgen gaat achter een manshoge muur. Over die muur lopen, onzichtbaar voor ons, mensen die voorwerpen omhoog houden. Wat we op de wand vóór ons zien zijn de schaduwen van die voorwerpen, van verschijnselen.
Wat Plato zegt is dat de werkelijkheid voor ons een schimmenspel is. Dat zegt ook het Johannesevangelie. Zegt ook de wetenschap, die aantoont dat wij continu worden misleid door onze zintuigen. Zo is, bijvoorbeeld, deze kansel niet bruin, de lucht niet blauw en de maan niet wit. Dat we die als zodanig waarnemen komt door een samenspel van ogen en hersenen die trillingen van atomen vertalen in kleuren. Kleuren die in werkelijkheid helemaal niet bestaan.

Slechtziende stakkers zijn we. Wij zien door een spiegel in een duistere rede. En alsof dat niet erg genoeg is hebben we ook nog met een ander euvel te kampen: ook ons zelf doorgronden we niet. Want dat zelf van ons is als het oog dat zichzelf niet kan zien. Alleen in de omgang met anderen komen we iets over dat zelf van ons te weten.
Maar, is dan de vraag, hoe betrouwbaar is dat door anderen weerkaatst beeld? Want wat sloven we ons uit om aardig, fatsoenlijk, integer, interessant gevonden te worden. We tonen een alleraardigst beeld van ons zelf aan onze omgeving en we maken een prachtige mythe van ons leven, waar we maar wat graag in geloven.
Ondertussen zitten de wachtkamers van psychologen en psychiaters vol met in zelfbedrog verstrikt geraakte mensen, rijp voor de ontmaskering.

Het is bepaald geen blijde boodschap wat Plato en het Johannesevangelie ons voorhouden. Toch lijden we niet onder onze slechtziendheid. Ik in ieder geval niet, en ik hoor er ook nooit iemand bij de kapper over klagen.
Maar zo heel af en toe, en altijd onverhoeds, worden we bewust van dat beperkte zicht van ons en van de schimmigheid van de werkelijkheid. We lopen bijvoorbeeld door een stad en krijgen plotseling op een bevreemdende manier oog voor het gewemel om ons heen. Even kunnen we de maat van de stad niet volgen en zijn uit de chronologie van de tijd geraakt. We wanen ons alleen in een onverschillige, onbegrijpelijke werkelijkheid die zich stil en doofstom houdt. De absurditeit ervan besluipt ons. Een absurditeit die echter niet reëel is. Die wordt veroorzaakt door de duisternis uit het Johannesevangelie.

Maar de ogenschijnlijke absurditeit gaat niet alleen gepaard met bevreemding. Die wordt evengoed begeleid door schoonheid en geluk. Soms worden we ook op een prettige manier beslopen.
Bijvoorbeeld in de natuur. De pracht van een landschap kan zich op een overweldigende manier aan ons opdringen. Het is dan alsof het landschap dat altijd maar druk waarnemende en denkende zelf aan de borst drukt, zodat het eindelijk even stil wordt. In die innerlijke stilte, midden in dat landschap, zien we onszelf opeens geplaatst in een universum waarin alles zijn plek heeft. Begrijpen doen we het niet, we ervaren slechts dat het is zoals het is, niet meer en niet minder, en dat het ontzaglijk goed is. Volmaakt zelfs. Dat wij meedraaien in iets wat van eeuwigheid zijn eigen wetten volgt.

Nog een voorbeeld van hoe geluk en schoonheid je in de absurd lijkende werkelijkheid kunnen besluipen, en dan kom ik vanzelf uit bij waar ik met deze preek heen wil.
Een waargebeurd voorval. Ik loop door een museum, ik ga de hoek om naar een volgende zaal en ik zie uit een ooghoek dikke klodders verf op een doek pal naast me. Diverse schakeringen geel en hier en daar lichtbruin. Als ik nog een stap zet zie ik uit de verfklodders een heel korenveld met een zon erboven tot leven komen, en het is opeens alsof ik er ermee samenval. Ik word heel blij en ben tegelijk geroerd. Dit schilderij ben ik, herken ik. Het doek laat me even zien wie ik voorbij alle zelfbedrog ten diepste ben, zo lijkt het.

Ik zag toen een korenveld, maar ik ervoer iets heel anders.
Dat herkent u natuurlijk. Iets dergelijks ervaart u ook in de kerk. Achter de woorden van de dominee, de bijbel en de liederen die u zingt gaat een werkelijkheid schuil waarvan u niet meer dan een vaag vermoeden hebt. U maakt er uw eigen voorstelling van. Die uiteraard niet klopt, maar dat weet u zelf ook wel. Dat is namelijk geloven.
Geloof slaat echter om in ordinaire godsdienst zodra u wordt opgedragen om de woorden letterlijk te nemen. Wanneer het schilderij niet méér voor u mag betekenen dan wat het concreet voorstelt. Treuriger nog: wanneer elke penseelstreek ervan in boeken vol doodse dogmatiek tot in detail is beschreven, waardoor het schilderij als geheel alle zeggingskracht verliest.
Maar daarvoor gaat u niet naar de kerk. U zoekt wat in de literatuur gelaagdheid wordt genoemd. Dat betekent zoiets als tussen de regels kunnen lezen. En, dat ook, u hoopt op het eeuwig voortbestaan van uw zelf, en ook daar heeft u uw persoonlijke voorstelling van. Van een hemel. We vrezen allemaal de dood als de vernietiger van het zelf. Terwijl het grote geluk, de euforie, altijd gepaard gaat met het opgaan in iets anders. In het loslaten van het ego. Ontbonden zijn, noemt de Statenvertaling dat fraai.
We gaan het ooit meemaken. Maar nu liever even niet natuurlijk.

Als we een kerk binnengaan, stappen we uit de stroom van het alledaagse. Wat u in een kerk, maar buiten kerktijden evengoed ook in het museum, de schouwburg, de concertzaal, of bij Martha en Peter van boekhandel Van der Meer zoekt is – en nu ga ik een ouderwets woord gebruiken dat toch wel het best de lading dekt – verheffing. Want het is donker in de grot van Plato. We proberen vat op die ogenschijnlijke absurditeit te krijgen. We gebruiken de geestverruimende kracht van kunstwerken om opgetild te worden naar nieuwe inzichten en naar vermoedens over wat buiten ons gezichtsveld ligt. We lezen romans om in de psyche van personages te kunnen kruipen waardoor we anderen beter begrijpen. En tegelijk ook onszelf, omdat we al lezend onze emoties, gedachten en drijfveren aan de romanpersonages kunnen spiegelen en toetsen. Ons zelf willen we tegenkomen. We willen op een andere manier kunnen kijken. Vervoering ervaren. Subtiel beslopen en verrast of ontroerd worden door een beeld, een gedicht, een toneelscène. We willen recht in de ziel worden geraakt door muziek.

Verheffing, dat klinkt plechtstatig. Alsof je er veel bier en jenever bij moet drinken om het te kunnen verdragen. Terwijl er werkelijk niets plechtstatigs is aan het beleven van kunst, evenmin als dat voor het geloof geldt. Integendeel: voor beiden is juist een kinderlijke onbevangenheid vereist. Grote kunst wordt misschien niet met het grootste gemak maar wel in alle kinderlijke speelsheid van geest gemaakt. “Zo gij niet wordt als een kindeke, gij zult het koninkrijk Gods niet ingaan”, staat er in de Bijbel.

Maar een kind willen worden is niet zonder risico, zegt u. Kinderen zijn bang in het donker. Er zitten monsters onder het bed en spoken in de klerenkast. Voor je het weet verval je weer tot Middeleeuws bijgeloof in heksen.
Helemaal waar. Maar wat de tekst uit Mattheus ons volgens mij wil duidelijk maken is dat we onderweg naar volwassenheid veel zijn kwijtgeraakt. De onbevangenheid waar ik het net over had, die tot intenser kijken en ervaren leidt. We zijn ons teveel gaan verlaten op het meest bedrieglijke instrument dat we tot onze beschikking hebben, de taal, en daardoor minder op onze intuitie, waarin enkele grote filosofen een superieure vorm van weten zien. Met al onze volwassen kennis en zindelijk redeneren, vergeten we soms dat we slechtziend zijn. Kunst en geloof, met hun suggestie van een verborgen werkelijkheid, met altijd een verwijzing naar iets anders dan wat er wordt voorgesteld, veroorzaakt daarom bij velen onrust. Weerzin zelfs.
Wat de kunst betreft: die vinden ze pas mooi als die hun werkelijkheid goedgelijkend, waarheidsgetrouw weergeeft. De bevestiging dat we ze zien ook echt is.
Wat het geloof betreft: veel mensen willen niet zijn overgeleverd aan een intuïtief weten waarvoor ze hun verbeelding moeten aanspreken om er vorm aan te geven. Een vaste grond van dingen die men hoopt? Een kennis van zaken die men niet kan zien?
Ik ben overigens zelf opgegroeid met een godsdienst die niets aan de verbeelding overliet en waarin tot zeven maal zeven decimalen achter de komma was voorgerekend wat je precies moest hopen en zien om het koninkrijk Gods te beërven en de hel te ontlopen. Een Siberië van het geestelijk leven… En die dominees preekten trouwens veel te lang, en dat wil ik u niet aandoen. Ik ga afronden.

Misschien moeten we blij zijn dat de duisternis het licht niet heeft begrepen. Want kijk waartoe het leidt. De verbeeldingskracht die het aanspreekt. Een verbeeldingskracht die bange kinderen uit bed drijft om spoken en monsters onschadelijk te maken met, bijvoorbeeld, kunstzinnige uitingen of door wetenschappelijk meten en weten. Juist de duisternis maakt het mysterie waarin we leven en bewegen betoverend. En als ik dan iets stichtelijks mag zeggen: ik denk dat we ons met kinderlijk vertrouwen kunnen overleveren aan dat mysterie, en we zouden onze aandacht minder moeten richten op het najagen en angstig cultiveren van wat we uiteindelijk allemaal gaan verliezen. Alles raken we uiteindelijk kwijt, alles, behalve wat we van ons zelf nalaten in de herinnering van anderen. Ergens in een uithoek van een onvoorstelbaar immens universum, zijn wij er voor korte tijd om het mysterie van het leven te ervaren en beschouwen. Dat gegeven maakt ons in al onze nietigheid bijzonder. Of, zo u wilt, uitverkoren en gebenedijd.
Daar kan ik in dankbaarheid en verwondering alleen maar amen op zeggen.

Falende schrijvers

Vandaag in de NRC een warrig stuk van alweer een volgende collega die klaagt over zijn tekortschietende vakbroeders. De literatuur is in verval, meent hij, het gros van de auteurs schrijft op de markt gerichte romans en durft de massa daarom niet tegen de haren in te strijken. Terwijl provoceren volgens hem juist heel belangrijk is. Zelf schijnt hij er erg goed in te zijn.

Vorige week vond een andere collega, die politiek geëngageerd is, dat schrijvers meer politiek engagement moesten tonen. Nog een andere collega hield vorig jaar een pleidooi voor gewaagder geconstrueerde romans, na er zelf een te hebben geschreven die helaas niet best werd ontvangen. En eerder vond een collega, die veel straatrumoer in zijn romans stopt, dat er meer straatrumoer in romans moest worden gestopt.

Een schrijver moet niets. Helemaal niets. Behalve romans schrijven die vanuit een intrinsieke behoefte ontstaan. Met of zonder provocaties, politiek engagement, strips of straatrumoer.
Als ik dergelijke stukken vol verkapte zelffelicitaties in de krant lees, moet ik denken aan een vroegere buurvrouw. Een mopperige secreet, achterdochtig en altijd in gevecht met de wereld. ‘Ik kan absoluut niet tegen onrecht’, zei ze vaak bij het uitstrooien van haar roddels. ‘Niet dat ik denk dat ik beter ben, maar…’ Waarop dan steevast een volgend bewijs van haar superioriteit volgde.

De opvattingen van schrijvers zijn niet interessanter of belangrijker dan die van de gemiddelde filosoof of filatelist. In het gunstigste geval zijn die fraaier geformuleerd, op grond waarvan schrijvers ten onrechte gemakkelijker toegang tot de media krijgen. En provoceren vind ik best, mits dat gebeurt met een botheid die subtiel ontmaskert. Simpelweg ‘Dood aan het volk!’ roepen  of lid worden van een pedofielenpartij is alleen maar stompzinnig. (Navenant ook het verweer van Dautzenberg, de schrijver van het NRC-stuk, op zijn lidmaatschap van de pedofielenpartij: “Dromen, fantasieën en verlangens mogen nóóit verboden worden.” Ja, trap nog maar eens een open deur in, denk ik dan.)

Waarom van collega-schrijvers verlangen dat zij zich provocerend in de media roeren? De heisa die dat veroorzaakt stoort bij het schrijven, lijkt me. Bovendien leidt alle herrie tot onevenredig veel aandacht voor de persoon van de schrijver. Iets wat Dautzenberg verfoeit, afgaande op de sneren aan het adres van collega’s die zich hieraan schuldig zouden maken. Dautzenberg moet er toch niet aan denken dat hij, net als zij, voortdurend radio- en televisiestudio’s moet aflopen? Toch?
Zedig neemt Dautzenberg een voorbeeld aan Hermans en Reve. Die “gingen niet alleen voor het eigen belang, ze dienden vooral ook de literatuur.” Ja, hij is bereid zijn schrijfrust en betrekkelijke anonimiteit op te offeren.
Hoe nobel.

Mijn vroegere buurvrouw ging evenmin alleen voor het eigen belang, als we haar moesten geloven. Roddelend en agerend maakte ze zich zorgen over het verval der zeden en de slechtheid van anderen. Op een bepaalde manier vonden we haar toch wel vertederend in haar zelfbedrog en ongefundeerde zelfgenoegzaamheid.

Asverstrooiing

Ik zit op een duin en zie hoe de as van een dierbare vriend door zijn kinderen wordt verstrooid. Het witte stof wolkt in wuivende sluiers in het zonlicht. Ik denk aan de Wet van behoud van energie en vraag me af waar de duizenden indrukken, ideeën, herinneringen van mijn overleden vriend zijn gebleven. Vallen ze één met de as en immuun voor het vuur van de crematieoven neer op het duingras en tussen de struiken?
Magisch denken. Ik wil graag geloven dat bij de dood het onstoffelijke gescheiden wordt van het stoffelijke, uit weerzin tegen de gedachte dat bij de eerstvolgende regenbui ook de herinneringen van mijn gestorven vriend aan míj in de bodem zullen verdwijnen. Maar A. is weg, helemaal en voorgoed, ook al leeft en beweegt hij volop in mijn herinnering.

Het is een mooie plechtigheid. Niemand bezoedelt de eerbiedige stilte met woorden.
Teruglopend over het duinpad naar het dorp rennen en fietsen mannen en vrouwen in strakke, kleurige sportkleding hijgend en zwetend langs ons heen. Ze beulen zich af om hun lichamen zo goed en zo lang mogelijk te conserveren. Ik denk aan het nietige beetje as in de bodem van de enorme planeet, onder de hoge lucht, in het onmetelijke universum.
‘Klote, man’, verbreekt vriend G. het lange zwijgen.
‘En dat was dan dat’, zeg ik. Maar ik zeg het aarzelend.

De kater van de bekering

In zijn jeugd was Torgny Lindgren (1938) een zwak kind dat aan tuberculose leed. Kortademig en hoestend lag hij soms weken aaneen in een bed in de achterkamer van zijn ouderlijk huis. In een toestand van halfslaap luisterde hij naar de stemmen van gezinsleden en bezoekende buurtgenoten. Ze kwamen aan zijn bed zitten; ze vertelden hem verhalen, streeklegenden, de laatste nieuwtjes en roddels. Zijn moeder las hem vaak voor uit de Bijbel. Afgaande op wat hij erover in een interview vertelde, moet het een wonderlijke tijd zijn geweest. Luisterend naar vertellingen leek hij soms los te komen van zijn lichaam en zweefde hij vrij door de kamer. Al die verhalende stemmen vloeiden op den duur samen tot één stem. Ontegenzeggelijk de stem van zijn geboortestreek.
Wie aan een boek van Torgny Lindgren begint, krijgt meestal een gedreven verteller tegenover zich. Bij vlagen praat de man meer tegen zichzelf dan tegen de lezer. Een man op doorreis. Soms verwaardigt hij zich om je indringend aan te kijken als hij, schijnbaar achteloos, met diepzinnigheden strooit of hilarische conclusies trekt. Je hebt geen andere keus dan naar hem te luisteren want zijn zinnen zijn in al hun eenvoud prachtig, poëtisch en de cadans ervan is hypnotiserend.

De verteller uit Norrlandse aquavit verhaalt van Olof Helmersson, een voormalig opwekkingspredikant, die na vijftig jaar terugkeert naar de streek rond Västerbotten. Destijds wist hij met bevlogen preken hele dorpen te bekeren. Tussen 1947 en 1955 zou hij in totaal vierhonderdzestien zielen hebben bekeerd. Sommigen daarvan zelfs meerdere keren. Nu is hij oud. Hij is tot het inzicht gekomen dat het geloof in God en in een eeuwig leven dwaasheid is. ‘Alleen de dood is eeuwig.’ Hij daalt af uit zijn flatwoning met zeezicht en maakt een lange reis naar zijn vroegere zeven gemeenten in Noord-Zweden om zijn dwalingen van weleer recht te zetten. Maar daar blijkt vrijwel niemand nog belangstelling voor God en godsdienst te hebben. De destijds bloeiende gemeente Västerbotten telt nog maar twee zielen. Het kerkgebouw is een ruïne. Veel vroegere bekeerlingen zijn inmiddels overleden.

De rondgang die Olof Helmersson langs de zeven gemeenten van Västerbotten maakt, als een apostel langs de zeven gemeenten van Klein-Azië, levert interessante gesprekken op. Prachtig is het gesprek dat de afvallige opwekkingspredikant voert met de kunstenaar Torvalt, de enige die hij nooit heeft kunnen bekeren. Over een verlossende kracht in de Kunst. ‘Je wordt op een nieuwe manier vroom wanneer je je leven aan de kunst wijdt … Hij durfde zelfs te beweren dat het goddelijke en heilige volkomen in het artistieke leven doordrong en dat geheel en al vulde. Wanneer hij een symfonie op de radio hoorde, van die Mahler bijvoorbeeld, was dat onmiskenbaar voor hem. Het ging erom de hoogheid en grootsheid van een aan het licht gebrachte vorm of contour te vinden. Dan had hij het nog niet eens over twee vormen die verenigd werden. Of over een schaduw die zo diep en zwart was dat men de eeuwigheid zag. In de Kunst bestond geen zonde, enkel heiliging en verheffing van de ziel.’

Torvalt vraagt daarop aan Olaf Helmersson of hij God wil zien. Hij neemt de gewezen predikant mee naar een afgelegen plek in het woud. Daar staat een acht meter hoge, van geveld hout gemaakte God. ‘”Je hebt wel een lange, zware weg af te leggen om bij Hem te komen’, zei Olof Helmersson. ‘Dat is ook de bedoeling’, zei Torvald. ‘De weg is niet zomaar voor iedereen. God hoeft niet in de krant te komen. Zonder heiliging zal niemand de Here zien.’”

Ontroerend is het weerzien met Gerda, een van de twee nog overgebleven lidmaten van de kerk van Västerbotten. Gerda is al jaren stervende. Zij heeft het sterven uitgesteld omdat zij er zeker van was dat haar vroegere herder en leraar ooit zou terugkeren. Als Olof Helmersson aan haar bed is gaan zitten, kan hij het niet over zijn hart verkrijgen haar de zekerheid van het geloof te ontnemen. Op al haar geloofsvragen geeft hij geen antwoord. In de stilte van zijn nihilistisch zwijgen, hoort zij echter de troostrijke antwoorden die de predikant van vijftig jaar geleden zou hebben gegeven. Bij een laatste avondmaalsviering geeft hij haar, omdat er geen wijn voorhanden is, Norrlandse aquavit te drinken. Ze leegt de beker tot de laatste druppel. De volgende dag voelt ze zich verkwikt. Naar eigen zeggen ‘net een klein kind’ … ‘alsof ik opnieuw geboren ben’. Terwijl een ander ongetwijfeld een fikse kater aan de sterke drank zou hebben overhouden.

Olof Helmersson beschrijft zijn eigen ‘kater’ als volgt: ‘Wanneer de roes voorbij was (…) dan dienden zich een helderheid van geest en een scherpte van denken aan die men zich tevoren niet had kunnen voorstellen. Men werd overvallen door tot dusver onbekende inzichten, men doorzag de leugens waaraan men zich in zijn leven houvast had gehad, men kreeg moed om over zichzelf te oordelen. In de katterigheid en de haarpijn achteraf kwam de mens zijn ware ik tegen. Dan was het tijd voor afvalligheid, de gelovige werd opnieuw geboren en werd afvallig, men trad hulpeloos maar gelouterd de naakte, ontmantelde werkelijkheid binnen.’

In veel van Lindgrens boeken laat de invloed van de Bijbel zich gelden en galmt de taalkundige pracht ervan door. In De weg van de slang richt de verteller zich tot God om zich te beklagen over het sociale onrecht in zijn verwoest dorp. In Bathseba wordt het verhaal van koning David en de beeldschone vrouw van Uria magistraal herverteld. In de verhalenbundels De schoonheid van Merab en In het water van Bonte Bladen komen eveneens Bijbelfiguren en verhalen over rondreizende predikanten voor. En zijn misschien wel mooiste roman Het licht laat zich bij vlagen lezen als een oudtestamentisch Bijbelboek.

Norrlandse aquavit is een schitterende, rijke, zo nu en dan hilarische roman. Tegen het eind ervan ontmoet Olof Helmersson een baardige schrijver in wie we Torgny Lindgren herkennen. Hij zegt op weg te zijn naar een drankwinkel in de stad. Om benedictine (!) in te slaan. ‘Zonder benedictine kan ik niet eens mijn eigen handschrift lezen.’ De oude schrijver vertelt te zijn teruggekeerd om ‘een laatste roman over deze streek te schrijven’.
Dat is schrikken.

Torgny Lindgren: Norrlandse aquavit
Uit het Zweeds vertaald door Bertie van der Meij
Uitgeverij De Geus
ISBN 9789044513127 NUR 302
223 blz.
Prijs 18,90