Een vreselijke vraag

Schrijvers lopen rond met een geheim voor de wereld: het grote geheim van hun roman-in-wording. Toegegeven, het is maar de vraag of de wereld werkelijk op de onthulling van dat geheim zit te wachten, maar dan zal de schrijver tegenwerpen: ‘De wereld weet nog niet wat die mist.’ En daar heeft hij gelijk in. Want in zijn verbeelding leven en bewegen personages in een werkelijkheid die hij in zorgvuldig gekozen zinnen schept. Hij bedenkt verrassende wendingen en boeiende ontwikke­lingen, die uiteindelijk moeten leiden tot een fantastische ontknoping. Waarna het boek kan worden dichtgeslagen en de lezer is verrijkt.

Nee, de lezer weet inderdaad niet wat die mist. Maar zolang de roman niet af is kan de schrijver niets over het geheim naar buiten brengen, anders is het geen geheim meer. Misschien laat hij iets erover los aan intimi, mits zij aandringen, maar dat doet hij dan zó cryptisch dat ze zich er nauwelijks íets bij kunnen voorstellen, ook al knikken ze uit beleefdheid bewonderend.

Anders is dat met wanna-be-schrijvers. Die willen juist maar wat graag vertellen wat ze hebben bedacht, en wel zo uitvoerig, dat je je afvraagt of ze er nog wel plezier aan zullen beleven om dat allemaal op papier te zetten. Ja, schrijven is een worsteling, zeggen ze, daar weten ze alles van. De muze, hè. Willen ze eens hartstochtelijk aan de slag gaan, blijkt dat kreng net ongesteld te zijn. Of tijdelijk frigide. Hebben zíj weer…! Ik denk in dit verband aan een uitspraak van Philip Roth: ‘Amateurs vertellen wat ze gaan schrijven, professionals gaan aan het werk.’

De schrijver met zijn grote geheim voor de wereld daarentegen durft in tijden dat het schrijven niet vlot nauwelijks de straat op. Als de dood dat hij dan wordt aangespro­ken en antwoord moet geven op de pijnlijke vraag die onherroepelijk wordt gesteld: ‘Komt er al een nieuw boek uit?’ Dapper zegt hij ‘ja’, ook al twijfelt hij er op dat moment ernstig aan. En hij zet zich alvast schrap voor de volgende vraag – die ene vreselijke vraag die je nooit aan een schrijver hoort te stellen maar die beleefdheidshalve altijd volgt: ‘Waar gaat je volgende boek over?’
Ondoenlijk om er antwoord op te geven. Sfeer en stijl kunnen niet in een paar zinnen worden overgebracht. Daarnaast gaat het bij het schrijven niet om wat er op papier komt te staan maar om wat er tussen de regels gelezen wordt. De schoonheid van de Mattheus Passion vat je ook niet samen met: ‘Er was eens een goed mens, hij werd gekruisigd, stierf en stond na drie dagen op.’

Een kus bij een ongeduldige trein

 

In een wat bedrukte stemming op deze grijze, winderige dag bekijk ik minutenlang een afbeelding van Soldier and girl at the station van Alex Colville. Ik ben geraakt door de innige omhelzing en kus van het meisje en de soldaat … Tenen tegen tenen. De hakken losjes van de grond om bij de mond te kunnen. De liefde van die twee lijkt het zwakke perronlicht te versterken en duldt geen schaduwen aan de voeten. Hun kus, een samenspraak van tederheid in stilgezette tijd.

Maar de lange trein heeft haast. De reistas voor de oorlog wacht langs het spoor. Of laten ze die straks achter op het perron? Is eindelijk de strijd gestreden en lopen ze dadelijk samen de nacht uit, de morgen in?

Op een schilderij dat Colville een jaar later maakte, is de trein die de soldaat bij zijn lief heeft gebracht seconden verwijderd van een botsing met een galopperend paard (zie de afbeelding verderop) … Against a regiment I oppose a brain / and a dark horse against an armored train, dichtte Roy Campbell erover … En prompt stel ik me voor dat het paard, in zijn hartstochtelijk verzet tegen dat ‘gepanserd verstand’, niet door de trein geraakt wordt maar na een machtige sprong onverstoorbaar over de daken van de coupés blijft draven, tot aan het andere eind, en er daar weer vanaf springt. Want geen meter wil het dier afwijken van het spoor van zijn driftig verlangen.
Niet veel later wordt het stel wakker van het aanzwellend geroffel van zijn hoeven. Algauw horen ze hem snuiven en briesen onder hun slaapkamerraam en kruipen ze gretig in elkaars armen. Als ze weer van elkaar afglijden is ook het paard bedaard. (En dan, tot besluit van dit verhaal, nog een zin met ‘lang en gelukkig leven’ bedenken.)