Een kus bij een ongeduldige trein

In een wat bedrukte stemming op deze grijze, winderige dag bekijk ik minutenlang een afbeelding van Soldier and girl at the station van Alex Colville. Ik ben geraakt door de innige omhelzing en kus van het meisje en de soldaat … Tenen tegen tenen. De hakken losjes van de grond om bij de mond te kunnen. De liefde van die twee lijkt het zwakke perronlicht te versterken en duldt geen schaduwen aan de voeten. Hun kus, een samenspraak van tederheid in stilgezette tijd.
Maar de lange trein heeft haast. De reistas voor de oorlog wacht langs het spoor. Of laten ze die straks achter op het perron? Is eindelijk de strijd gestreden en lopen ze dadelijk samen de nacht uit, de morgen in?

Op een schilderij dat Colville een jaar later maakte, is de trein die de soldaat bij zijn lief heeft gebracht seconden verwijderd van een botsing met een galopperend paard (zie de afbeelding verderop) … Against a regiment I oppose a brain / and a dark horse against an armored train, dichtte Roy Campbell erover … En prompt stel ik me voor dat het paard, in zijn hartstochtelijk verzet tegen dat ‘gepanserd verstand’, niet door de trein geraakt wordt maar na een machtige sprong onverstoorbaar over de daken van de coupés blijft draven, tot aan het andere eind, en er daar weer vanaf springt. Want geen meter wil het dier afwijken van het spoor van zijn driftig verlangen.
Niet veel later wordt het stel wakker van het aanzwellend geroffel van zijn hoeven. Algauw horen ze hem snuiven en briesen onder hun slaapkamerraam en kruipen ze gretig in elkaars armen. Als ze weer van elkaar afglijden is ook het paard bedaard. (En dan, tot besluit van dit verhaal, nog een zin met ‘lang en gelukkig leven’ bedenken.)

Hermine de Graaf en het volmaakte boek

Het was in de tijd dat ik bij het schrijven nog zocht naar een eigen stem op papier. Op een doordeweekse middag zat ik in een kroeg aan een leestafel en las een recensie over Hermine de Graafs debuut Een kaart, niet een gebied. De recensent sprak van ‘een volmaakt boek’. Ik keek naar het portret van de schrijfster. Een mooie, wat schuchter kijkende vrouw met lang sluik haar.
Niet viel later stond ik in een boekhandel in de buurt. Het boek lag daar op een tafel. Ik nam het vol ontzag in handen, streelde het, rook aan de bladzijden. Maar ik kocht het uiteindelijk niet. Ik koesterde liever het idee dat er een volmaakt boek bestond, ik was bang teleurgesteld te worden als ik het zou lezen. Een volmaakt boek schrijven, dat wilde ik ook. Ooit.

Jaren later, tijdens een nieuwjaarsreceptie van de uitgeverij, zou ik geïnterviewd worden. Was mijn eerste roman, De kracht van het woud, in de media nagenoeg onopgemerkt gebleven, van mijn tweede roman had de uitgever hoge verwachtingen.
Ik was nerveus. Het was voor het eerst dat ik voor een volle zaal vragen moest beantwoorden. Terwijl ik tegen de bar leunde, zag ik uit mijn ooghoek Reinjan Mulder naar mij toekomen, op de voet gevolgd door een vrouw met lang haar die haar hoofd gebogen hield.
Hermine de Graaf. Reinjan stelde me aan haar voor. Hermine zei dat ze mijn vorige boek had gelezen en dat ze het mooi vond. Ze keek ernstig. Een lachje zou ik als een teken van geringschatting hebben opgevat, maar dat bleef achterwege.
Ik wist niet veel terug te zeggen, maar ik stapte later minder nerveus het podium op voor het interview. De cirkel was rond.

Hoewel ik Hermine de Graaf hierna nog een paar keer sprak, heb ik haar het bovenstaande nooit verteld. Dat leek me onkies.
Achteraf, nu ze er niet meer is, heb ik daar spijt van. Onlangs heb ik in een antiquariaat haar debuutroman op de kop getikt. Maar ik zal het pas lezen wanneer ook in erin ben geslaagd een volmaakte roman te schrijven.

Ontrouw

Een bezoek aan haar kapperszaak duurde nooit langer dan een kwartier en verliep steevast hetzelfde. We knikten elkaar respectvol toe, oprecht ingenomen met het weerzien, daarop ging ik in de stoel zitten. Ze sloeg me een kapmantel om, voelde een paar keer aan mijn haar om de dikte ervan te bepalen en ging dan aan de slag. Zwijgend. De eerste keren zei ik vooraf nog hoe ik geknipt wilde worden. Op den duur liet ik dat achterwege. Ik zou haar, een zwijgzame Iraanse, hebben beledigd.

We hebben elkaar nooit lastiggevallen met praatjes over vakanties of over het weer. Kortwieken kan een sacrale bezigheid zijn, mits het in stilte geschiedt. Tegelijk met mijn haarplukken vielen overtollige beslommeringen van de voorbije zes, zeven weken op de vloer. Ik keek er voldaan naar. De geest gesnoeid, het hoofd lichter. Onder het knippen meed ze zorgvuldig lichamelijk contact, merkte ik. Ook daaruit sprak respect, zij het dat ze voor mij heus niet zo ver hoefde te gaan. We droomden weg, ieder voor zich. Een gedeeld plezier.

De laatste keer dat ik bij haar een afspraak had, knikte ze me zoals altijd respectvol toe. Alleen was haar blik ditmaal dof. Verdriet zag ik. Een tijdlang zat ik in tweestrijd in de stoel. 
‘Gaat het goed?’ vroeg ik tenslotte.
Ze hield haar handen stil. Niet eerder had ik haar een persoonlijke vraag gesteld. Ik zag haar aarzelen.
‘Mijn vader’, bekende ze toen.
‘Is het ernstig?’
‘Hij is dood.’
‘Wat erg.’
‘Ja’
‘Ga je erheen?’
‘Overmorgen.’
Ik knikte naar haar en dacht prompt aan de dood van mijn eigen vader. Een paar intense seconden vol medelijden en zelfmedelijden hield ik haar blik vast.
‘Sterkte’, zei ik terwijl ik mijn hoofd boog.

Ze ging verder met knippen. Ik dreef af op sombere gedachten, terwijl zij ongetwijfeld dacht aan wat haar over twee dagen te wachten stond. Uit de luidsprekers kwam weemoedig gezang van een Iraanse zanger. Extra behulpzaam boog en draaide ik mijn nek in de gewenste standen.
Toen ze klaar was pakte ze de handspiegel zodat ik het resultaat kon bekijken. Opnieuw keek ik haar aan, iets langer dan gewoonlijk. En wederom verstonden we elkaar woordeloos.
‘Heel mooi. Dankjewel.’

Ze legde de handspiegel terug. Ik boog mijn hoofd. Voelde haar hand zich tegen mijn nek vleien. Een vinger streek liefkozend langs mijn hals.
Daarop kregen haar handen haast. Ze trok met een brede zwaai de kapmantel van me af. Bij het afrekenen keek ze me niet aan, maar het huilen stond haar nader dan het lachen toen ze me het wisselgeld gaf. Ik knikte haar toe. ‘Heel veel sterkte’, zei ik zacht en draaide me om.

Anderhalve maand later verhuisde ik. Ik neem het mezelf kwalijk dat ik haar niet trouw ben gebleven. Haar kapsalon is er nog steeds. Al een jaar of vier word ik nu voor mijn ontrouw gestraft met kappers en kapsters die hun mond niet kunnen houden.