Ziek en zielig lig ik in bed. Ik heb heimwee naar de troost van griesmeelpudding met veel suiker die ik als kind kreeg als ik ziek was. Ik denk aan de fles Pleegzuster Bloedwijn die bij het zondagse middagmaal op tafel stond. Wijn waaraan een geneeskrachtige werking werd toegeschreven. Op het etiket een vroom ogende verpleegster in een paaps habijt.

Ziek en zielig wil ik Pleegzuster Bloedwijn bij me hebben. Ze moet me griesmeel brengen en op de rand van mijn bed gaan zitten. En als ik klaar ben, het bord aanpakken en wegzetten, een glas wijn inschenken, om vervolgens met kuis neergeslagen ogen haar habijt uit te trekken en naast me onder het dekbed te schuiven.

‘Nooit geweten dat je er niets onder draagt’, fluister ik. Ik neem een slok wijn en laat haar naar mijn hoofd stijgen.